via:http://www.vrijescholen.nl/public/nl.vrijescholen/www/files/1338290836_Getuigschriftspreuken%20klas%205%20-%20Gedichten%20over%20vogels.pdf

Getuigschriftspreuken voor Klas 5, allemaal over vogels.
Martin Stoop
Een boerenzwaluw.
‘t Is koud en fris, kom we gaan.
We vangen straks wel vliegen, zwierig en snel.
En de zon van het zuiden verwarmt ons wel.
Maak baan! Met honderdduizenden komen we aan.

Maar wat een tocht over ijskoude bergen.
En wat een zee met alleen maar wind.
En deze woestijn, waarin ik alleen kamelen vind.
Velen van ons zal dat het leven vergen.
Eindelijk ….de wijde steppe met giraffes en een rivier.
Nu douche ik…in een waterval en heb ik weer plezier.

~
Een boerenzwaluw.
Babbelen en fladderen.
In dauw en modder badderen.
Een bromvlieg hier, een motje daar.
Die lege maag die roept alsmaar.

Ook de jongen in de schuur,
In ’t nestje geplakt aan de muur,
Verorberen duizenden vliegjes per dag,
Zodat ik de hele dag jagen mag.
Bij regen vang ik zelfs spinnen uit hun webben.
Ja, van vliegen vangen blijf ik altijd honger hebben.

~

Een gierzwaluw.
Van jongs af aan at ik vliegen
Wilde ik vliegen en ook veel.
Lucht en wind mochten mij wiegen
Of een nest in de muur van een kasteel.
Hoog in de hemel weet ik mijn weg wel te vinden.
Daar kan ik slapen, spelen en dromen.
Daar jagen we samen ver boven de bomen
Of reizen naar Afrika op warme winden.
O ja, in de zomer broeden en zorgen wij,
Maar daarna zijn er weer meer zwaluwen.……..vrij.

~

Een merel.
Er zijn er nu velen zoals ik.
Al uitgevlogen na een week of twee.
Nog een beetje geholpen, dat viel mee.
En, dan op me zelf, alleen maar ik.
Al luisterend leerde ik zingen.
En afkijkend ook trappelen om wormen te vangen.
Maar bij alles was er dat verlangen
Om me af te stemmen op de dingen.
Nu zing ik voor dag en dauw mijn lied.
En ook ’s avonds zing ik aandachtig
Zolang ……. tot niemand me meer ziet.

~

Een zwaluwenpaar.
Waar bouw ik mijn nest? Nou wel naast die van jou.
En ook ergens binnen. Ik hou niet van de kou.
Lekker kwebbelen met honderden op een rij.
We mogen ons wel haasten, want het is al weer mei.
Kijk nou toch, met zes is ons nestje tsjokke vol.
Dan leg ik ze bij buurvrouw, …dit is me te dol.
Maar wat zijn die kinderbekjes toch reuze groot.
Dat muggenvangen wordt echt nog eens mijn dood.
Voor die prestatie hoef ik me niet te schamen.
En jij ook niet! Doen we het volgend jaar weer samen?

~

Een leeuwerik.
Op een graspol of paaltje val ik niet op.
Dus zwier ik naar boven, want ik geef niet snel op.
En al stijgende zing ik riedelend in de wind.
Steeds hoger en hoger en zo ga ik door het lint.
Pas als ik een stipje aan de hemel ben,
Zo klein als ik slechts sterren ken,
Kom ik jubelend pas weer naar benêe
Om te eten van die gouden halmenzee.
Iedere lente kom ik in dit gebied.
Dan zoek ik mijn maatje en klinkt weer mijn lied.

~

Een pimpelmees.
Op mijn kop aan een tak
In een bessentros op mijn gemak
Zing ik vlot de hele dag,
Vrolijk om wat ik nu weer zag.
Hoog en laag, altijd weer
Pik ik beestjes keer op keer.
Eitjes leg ik een stuk of tien.
En dan legt de buurvrouw,
Ook altijd in touw,
er soms nog wat bij bovendien.
Tot twintig bekjes voed ik dan.
Dus vlieg ik wat af met mijn man.
Die is even blauw en geel als ik.

En ook altijd bezig; ’t is een tic!

~

Een buizerd.
Mijn vleugels wijd uit, gestrekt in de wind,
Voel ik me vrij, is de lucht mijn vrind.
Dan schroef ik me machtig traag omhoog.
En spied ik naar prooi met mijn scherpe oog.
Ik draai en dans in de warme lucht.
En vang mijn prooi vanuit volle vlucht.
In gure kou stap ik echter stevig rond.
En ruk ik soms een wurm uit de grond.
Maar wordt het lente, dan stijg ik weer op.
En dans ik miauwend mijn balts…. non-stop.

~

Een buizerd.
Het is te koud en er is geen wind.
’t Wordt zaak, dat ik wat te eten vind.
Hier op dit paaltje naast de weg
Wacht ik even op die vogel met pech,
Die zonder uit te kijken de weg over steekt.
Dit is slechts overlevingskunst; dat spreekt.
Maar straks in de lente toon ik mijn trots.
Mijn gespaarde kracht blijft zo sterk als een knots.
In machtige vlucht zweef ik dan in het blauw.
En vang ik iedere prooi, die ik wil, met mijn klauw.

~

Een mus.
Na verloop van tijd weet ik precies
Welke huizen ik niet …. of juist wel kies.
Want sommige katten jagen nog met list,
Terwijl andere je bekijken als toerist.
Bij sommige families wordt ook heel veel gemorst.
En andere schenken mij altijd een korst.
Als je zo je eigen adresjes hebt om te eten
Schijnen sommigen zelfs mijn naam te weten.
Aanpassen is een kunst…. die past bij mij.
En iets nieuws leren … hoort er gewoon bij.

~

Een kerkuil.
De kerken hebben mij verstoten helaas.
De klokken hangen tegenwoordig achter gaas.
Maar bij de boeren vind ik nu weer een thuis.
Daar spook ik ’s nachts rond op zoek naar een muis.
Ik vlinder daar helikopterend rond.
En gris er nog menig prooi van de grond.
Als ik nestel is mijn man een echte heer.
En als hij veel muizen brengt, dan leg ik ook meer.
Samen voeren we dan onze kuikens iedere nacht.
En weet je,
dat vliegen onder de sterren ……. geeft mij kracht.

~

Een zwarte kraai.
In mijn territorium stap ik stevig rond.
Ik blijf van engerlingen, torren en kevers gezond.
Sterft er een kraai…… komt zijn jachtgebied vrij…..
Wel meer dan 1 zwartjas is er dan als de kippen bij.
Vroeg op stok en laat weer op,
Heb ik altijd een heldere kop.
Ik weet precies hoe alles altijd gaat.
En als er iets afwijkt, zijn mijn zinnen paraat.
Ik nestel graag rustig in een eik of een beuk.
Maar bedelen bij mensen vind ik ook reuze leuk.

~

Een condor en een kolibrie.
Groot en klein zou ik willen zijn.
Een reuzen condor of een kolibrie zo klein.
Reusachtige vleugels dragen mij uiterst ver en hoog.
Langzaam zwevend in rust en stilte spiedt mijn oog.
Af en toe eet ik ……………………….. ontzaglijk veel.
En mijn jong krijgt een jaar lang ook altijd z’n deel.
Of rechtop wakker vlieg ik razend snel.
Ik ga voor zoete geuren en kleuren zo fel.
Zo klein als een hommel in wervelende vlucht.
Zuig ik dan nectar helikopterend in de lucht.
Zelfs mijn hartje zoemt dan van geluk.
Na zoiets kan mijn dag ….niet meer stuk.

~

Een roodborstje.
In ’t bos …….onder struiken en op de grond
Hip ik vrolijk en ijverig rond.
Wordt er gewerkt en gespit in een tuin,
Dan hou ik bij voorbaat mijn kopje al schuin.
Ieder insect dat opgespit wordt,
Vang ik gretig in ongeremde sport.
Ik leef in m’n eentje en ben niet bang.
Vanuit elke boom klinkt mijn feestelijk gezang.
Zie….ik, zie…ik, roep ik zo luid als ik kan.
Ik heb alles gezien en weet overal van

~

Een Vlaamse gaai.
Mijn prachtige kleuren, roodachtig bruin,
Met gebandeerd blauw op mijn vleugels
en op mijn kruin,
Samen met mijn zacht gekwetter en geklok zo luid,
Maken van mij een goed verklede guit.
Net als mijn familieleden ken ik de wereld goed,
En eet ik gevarieerd: eieren,
muizen of insecten zo zoet.
Zo samen met een vrouwtjesgaai
Heers ik in mijn eigen bos, zoals iedere kraai.
Maar als de eikels rijp en oogstbaar zijn,
Begraaf ik voorraadjes groot en klein.
In de winter ………..zoek ik die op mijn gemak.
De rest laat ik kiemen, want eiken planten …
… is mijn vak.

~

Een papegaai.
De hele dag ben ik bezig in ’t tropische bos.
Zo tussen die kleurrijke bloemen kom ik echt pas los.
We klimmen behendig, helpen elkaar
En waarschuwen luid bij elk gevaar.
We poetsen en wassen elkaar ook de veren.
Of komen elkaar een vrucht of een nootje trakteren.
Uitdagend samenspelen tot hoog in de bomen,
Tot daar waar nauwelijks de apen nog komen.
Zo zwierend en zwevend boven het bloeiende woud
Glanzen mijn veren dan oplichtend als goud.

~

Een papegaai.
Ik klim en klauter hele dagen.
Speel of zit aan een nootje te knagen.
We letten bijzonder veel op elkaar.
En schreeuwen luidruchtig bij ieder gevaar.
Buitelend hangen aan een tak.
Doe ik heel gesmeerd en op mijn gemak.
Ook bij het eten hang ik vaak op mijn kop.
Zo scharrel ik wel het lekkerste eten op.
En al zijn die noten zo hard als staal…….
Mijn ijzersterke snavel kraakt ze allemaal.

~

Een zeearend.
Als ik op mijn roestplaats zit,
Lijk ik grijs, vormeloos en zonder pit.
Maar als ik mijn brede vleugels uitsla
En op jacht of uit vissen ga……
Dan toon ik mijn macht
En sla ik toe met veel kracht.
Roodbaars, schelvis of kabeljauw
Sla ik uit het water met mijn vlijmscherpe klauw.
Zelfs karpers tot een kilo of acht.
Dat had ik zelf zelfs niet verwacht.

~

Een zeearend.
Vroeg in de ochtend ben ik vaak druipend nat,
Maar als de vis begint te springen, ga ik op pad.
Met gespreide veren, schrikbarend breed
En gevishaakte klauwen heb ik snel beet.
In nood, als de honger mij dwingt,
Vang ik alles wat in of rond het water springt.
Otters pik ik zelfs hun vissen af.
Of ik vang zelfs zwanen; ik ben heus niet laf.
In de hoogste bomen daar bouw ik mijn nest,
Want vliegend in de lucht ben ik op mijn best

~

Een zeearend.
Vanaf mijn horst in een boom bij ’t water
Kijk ik stil, hoor ik alles, want ik ben geen prater.
Een paar keer per dag wordt de prooi verdeeld,
Maar verder wordt hoog in de lucht gespeeld.
Mijn maatje ontmoet ik ieder jaar.
We haken dan gewaagd onze poten in elkaar.
En vanuit grote hoogte laten we ons dan vallen.
Alleen geslaagd teamwork kan ons bevallen.
Mijn glijdende vlucht en mijn witte staart
Maken mij goed herkenbaar in volle vaart

~

Een steenarend.
Rank en stevig, groot en machtig,
Donkerbruin glanzend en o zo krachtig
Zweef ik tussen bergen boven dalen.
Jagend op hazen en hoenders in grote getale.
In snelle duik stort ik mij op hen neer.
Van schrik verstijfd is mijn prooi keer op keer.
Op mijn horst hoog in een oude boom
Sta ik dan statig en zonder schroom.
Ook mijn poten zijn met veren getooid,
Want mijn kracht
wordt in de volle wind pas volledig ontplooid.

~

Een buizerd.
Stil wacht ik af op mijn hoge tak.
Van daaruit zie ik mijn prooi met gemak.
In snelle duikvlucht stort ik me neer.
Vang ik muizen, en vogels keer op keer.
Ook bid ik stil hangend in de lucht.
Dan vang ik mijn prooi vanuit staande vlucht.
Indringers worden met mijn partner geweerd.
En onze jongen zijn in het jagen snel volleerd.
Wij bouwen ook graag wat extra nesten.
En kiezen dan elk jaar weer de beste.

~

Een boomvalk.
Hoog in de lucht vlieg ik behendig en snel.
Wat er ook langs vliegt, ik vang het wel.
Vooral uit zwermen grijp ik ze met gemak.
Een prooi uit de lucht slaan is mijn vak.
Zelfs vleermuizen of zwaluwen ontkomen mij niet.
Ik heb de rode broek aan in mijn gebied.
Naast mijn witte keel en zwarte kop
Vallen mijn zwartblauwe rug
en gevlekte onderzijde op.
Ik ben hier alleen in de zomer te gast.
En ’s winters op vakantie,
zoals een levensgenieter wel past.

~

Een Amerikaanse zeearend.
De hoge hemel is mijn huis.
Maar ook in het water ben ik thuis.
Kom ik omlaag op mijn prooi gericht,
Dan zijn mijn brede vleugels een machtig gezicht.
Mijn gespreide vingers en mijn witgekroonde staart
Sturen mijn grijppoten in volle vaart.
Een zalm van een meter draag ik met gemak
Naar mijn nest van 3 meter op een hoge tak.
Mijn gemoed raakt niet snel van de kook
En ik streef bij alles naar grote maten.
Daarom sta ik ook
in het embleem van de Verenigde Staten.

~

Een keizerarend. (adelaar)
Het is de verte die mij trekt.
De rustige vlakte …..tot de horizon gestrekt.
Daar dragen de luwe winden mij.
Het doelloos zweven hoort erbij.
Bij honger vang ik dan feilloos een slang.
Of neem ik een vogel of konijn in de tang.
Een concurrent laat ik lekker met rust.
Zo is een ruzie ook ’t snelst gesust.
Voor mijn maatje en jongen zorg ik goed.
Daar geniet ik van en dat geeft me weer moed.

~

Een ijsvogel.
Ik zit meestal rustig en stil op een tak.
Vlak boven de beek, want vissen is mijn vak.
Ik richt me slechts goed op een vis in het water
En pijlsnel spies ik hem dan even later.
De meeste tijd heb ik alleen gejaagd.
Tot ik voor het broeden ben gevraagd.
Samen zijn we een tunnel gaan graven.
Ook het broeden en voeren deden we vol overgave.
Maar toen onze jongen hun vieze nest verlieten,
Ben ik toch weer alleen van het leven gaan genieten.

~

Een merel.
Vrolijk hip ik op het gazon in ’t rond.
En stampvoetend lok ik wat insecten uit de grond.
Met mijn kopje schuin sta ik op de loer.
En als ik gestoord wordt, tsjilp ik luid en stoer.
Dan vlieg ik de hoogte in tot boven op het dak.
En sputter nog wat na op mijn gemak.
Maar onder het hoge hemelgewelf
Vind ik al zingend spoedig mijzelf.
Dan zie en begrijp ik alles weer.
En daar zing ik dan over keer op keer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Tagwolk

%d bloggers op de volgende wijze: